Plato – WE300 – Boeien

Bezitsdrang heb ik niet, nooit gehad ook, én eigendomsdrang is mij ook vreemd. Eén van mijn sterkste en tegelijkertijd zwakste eigenschappen is mijn gulheid. Ook kan ik het niet laten wensen van andermans ogen af te lezen en die dan zo snel mogelijk te vervullen.

Komen we bij het lenen van, of uitlenen aan, aan dan is ’t een heel ander verhaal. Ik heb vroeger geleerd dat je hetgeen je leent altijd terug geeft. In diezelfde leer ging ik er ook altijd van uit dat wanneer ik iets uitleende ik dat ook ooit terug zou krijgen.

Iets dat mij, meer dan de helft van mijn leven, enorm dierbaar is heb ik een hele tijd geleden uitgeleend. Op een gegeven moment vroeg ik het terug. “Dat heb ik je allang teruggegeven’ was het antwoord. Ik ontkende dat ten stelligste waarop ik vervolgens aangesproken werd op mijn mentale staat, en dat ik het teruggeven vergeten zou zijn en maar eens heel goed moest gaan zoeken. Ik keerde alles op de kop, maar kon het tot mijn groot verdriet niet terugvinden. Het als ‘verloren’ gewaand, probeerde ik het verlies te accepteren.

Tot enkele weken geleden….ik een foto onder de ogen kreeg waarop ik het betreffende voorwerp in al diens glorie terug zag. De teleurstelling was al enorm maar werd op dat moment reusachtig om van andere emoties in mij maar te zwijgen. Dat mijn gevoelens er bij die persoon totaal niet toe doen was me al danig duidelijk aan het worden maar bij het zien van de foto besefte ik eens te meer dat het die persoon helemaal geen ene rotmoer kan schelen.

Ik troost me met de gedachte dat die persoon kennelijk waarde aan het voorwerp hecht. Overigens wel zonder zich ook maar een ietsiepietsie te realiseren dat het pronken is met andermans veren!